Jaarrekening

Toelichting op de balans

Balanswaardering en grondslagen waardering

Inleiding
De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de hieronder genoemde gemeentelijke verordeningen en nota’s, waarin door de gemeenteraad de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld.

  • de "Financiële beheersverordening Nieuwegein 2015" (raadsbesluit 2015-199), in december 2020 is de nieuwe Financiële beheersverordening (raadsbesluit 2020-456) vastgesteld. Deze heeft als ingangsdatum 1 januari 2021.
  • Nota "Investerings- en afschrijvingsbeleid 2015" (raadsbesluit 2014-409)
  • Nota "Beleid reserves en voorzieningen 2016-2020" (raadsbesluit 2016-064)
  • de "Hoofdlijnennotitie resultaatbestemming" (raadsbesluit 2008-353)
  • Nota "Grondbeleid 2020-2024" (raadsbesluit 2019-379)”

Wijzigingen van de afschrijvingstermijnen worden aan de raad voorgelegd in de P&C documenten in tabelvorm weergegeven.

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.

De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.

Met betrekking tot de verwerking van de algemene uitkering heeft de commissie BBV een stellige uitspraak gedaan. Deze uitspraak houdt in dat in de jaarrekening de algemene uitkering wordt opgenomen conform de in het jaar laatst gepubliceerde accresmededeling, die doorgaans is opgenomen in de september circulaire van het boekjaar.

Met betrekking tot de eigen bijdragen die het CAK int en aan de gemeenten afdraagt geldt op basis van de Kadernota rechtmatigheid 2018 van de commissie BBV het volgende. Gemeenten kunnen op basis van de overzichten van het CAK wel de aantallen personen, soort en omvang van de zorgverlening beoordelen met de eigen WMO-administratie. Probleempunt is dat door het ontbreken van inkomensgegevens op deze overzichten de informatie over de eigen bijdrage ontoereikend is om als gemeente de juistheid op persoonsniveau en volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen. Door de systematiek te kiezen van het vaststellen van de eigen bijdragen door het CAK, heeft de wetgever in feite bepaald, dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dat betekent dat door de gemeenten geen zekerheden over omvang en hoogte van de eigen bijdragen kunnen worden verkregen als gevolg van het niet kunnen vaststellen van de juistheid op persoonsniveau, zoals hiervoor is toegelicht. De gemeente zal deze onzekerheid in de jaarstukken moeten noemen, ook al ligt de oorzaak niet bij de gemeente. In de jaarrekening 2020 wordt het bedrag verantwoord dat in het verantwoordingsjaar van het CAK aan afdrachten is ontvangen (= kasstelsel). De reden hiervan is dat bij het CAK sprake is van achterstanden in het verwerken van de opgelegde en nog op te leggen eigen bijdragen waardoor geen betrouwbare schatting is te
maken van de ultimo 2020 nog op te leggen en door gemeenten te ontvangen eigen bijdragen.
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskostengerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende vakantiegeld- en verlofaanspraken.

Voor arbeidskostengerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming, te weten vier jaar. Indien er sprake is van (eenmalige) schokeffecten (bijvoorbeeld door reorganisaties) dient wel een verplichting opgenomen te worden.

Waardering activa

Vaste Activa

Immateriële vaste activa

Algemeen
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- c.q. vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. Eventuele van derden verkregen specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde bedrag (artikel 62 lid 2 BBV).

Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Bijdragen aan activa van derden worden geactiveerd als ze individueel €25.000 te boven gaan. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

Deze worden geactiveerd indien aan de volgende vereisten is voldaan:

  • Er is sprake van een investering door een derde
  • De investering draagt bij aan de publieke taak
  • De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren zoals is overeengekomen
  • De bijdrage kan door de gemeente worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

Materiële vaste activa

Algemeen
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte gronden hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend, inclusief de direct toe te rekenen salariskosten. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.

Investeringen met economisch nut
Deze materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht. Bij de waardering is waar nodig rekening gehouden met een (verwachte) duurzame waardevermindering.

Op grondbezit met economisch nut (buiten de openbare ruimte) wordt niet afgeschreven.

Conform de notitie grondbeleid in begroting en jaarstukken (2019) worden gronden die zijn verworven met het oog op gebiedsontwikkeling, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld opgenomen onder de materiële vaste activa (artikel 52 lid 1 onderdeel a BBV). Dergelijke gronden worden in de regel aangeduid als ‘warme gronden’. Het toerekenen (activeren) van andere kosten is daarbij niet toegestaan.

Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Wanneer investeringen grotendeels of meer worden gedaan voor riolering, het inzamelen van huishoudelijk afval alsook wanneer voor rechten die op grond van art. 229 lid 1 a en b van de Gemeentewet worden geheven, dan worden deze investeringen op de balans opgenomen in een aparte categorie: de investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.

Investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend maatschappelijk nut
Investeringen met een maatschappelijk nut worden, evenals investeringen met een economisch nut, geactiveerd en over de verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. De verplichting om alle investeringen te activeren volgens de nieuwe methode geldt alleen voor investeringen die vanaf het begrotingsjaar 2020 worden gedaan.

Door de invoering van de nieuwe systematiek blijven verschillen bestaan in de wijze waarop mag worden afgeschreven op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die vóór het begrotingsjaar 2017 zijn gedaan. Om inzicht te geven in het deel van de activa dat wel vergelijkbaar is qua systematiek is in het verloopoverzicht in de toelichting op de balans aangeven welk bedrag volgens de nieuwe systematiek is verantwoord en welk deel volgens een andere systematiek.

Financiële vaste activa
Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen, (overige) leningen u/g en (overige) uitzettingen zijn – tenzij hierna anders is vermeld – opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht.

Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s (kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen onverhoopt structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingsprijs zal afwaardering plaatsvinden.

Van een deelneming is krachtens artikel 1 lid d BBV sprake als de gemeente participeert in het aandelenkapitaal van een NV of BV.

Vlottende activa

Voorraden

Onderhanden werk, waaronder gronden in exploitatie
De als onderhanden werken opgenomen bouwgronden in exploitatie zijn gewaardeerd tegen de
vervaardigingsprijs dan wel de lagere marktwaarde. De vervaardigingsprijs omvat de kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (zoals grondaankopen en kosten van bouw- en woonrijpmaken) alsmede een redelijk te achten aandeel in de rentekosten en de administratie- en beheerskosten.

Voor winstneming geldt de percentage of completion methode: baten en lasten – en het daaruit vloeiende resultaat –worden toegerekend aan de periode waarin deze zijn gerealiseerd. Bij meerjarige projecten betekent dit dat (de verwachte) winst niet pas aan het eind van het project als gerealiseerd moet worden beschouwd, maar gedurende de looptijd van het project tot stand komt en ook als zodanig moet worden verantwoord. Het verantwoorden van tussentijdse winst is daarmee geen keuze maar een verplichting die voortvloeit uit het realisatiebeginsel. Bij het bepalen van de tussentijdse winst is het wel noodzakelijk de nodige voorzichtigheid te betrachten. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, bestaat er voldoende zekerheid en dient er winst te worden genomen:

1. Het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat.
2. De grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht.
3. De kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie gerealiseerd).

Zolang daarvan geen sprake is, worden de verkregen verkoopopbrengsten ten volle op de vervaardigingskosten in mindering gebracht. Indien er sprake is van winst, wordt deze berekend op basis van de eindwaarde van het project, conform de notitie ‘grondbeleid in begroting en jaarstukken (2020)’ van de commissie BBV. Als de berekening van de tussentijdse winstneming volgens de percentage of completion methode ertoe leidt dat in eerdere jaren te veel winst is genomen, dan neemt de gemeente de eerder te veel genomen winst terug. Subsidiebaten en de daarbij behorende subsidiabele kosten bij grondexploitaties maken geen onderdeel uit van de tussentijdse winstneming en worden verantwoord op het moment dat de subsidie volgens de subsidievoorwaarden is gerealiseerd.

Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan een jaar

Vorderingen
De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen.

Liquide middelen
Deze activa worden tegen nominale waarde opgenomen.

Overlopende activa
De overlopende activa zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald.

Vaste passiva

Eigen Vermogen
Reserves
De vorming van reserves is gebaseerd op artikel 43 van het BBV. Er zijn twee soorten reserves:
• de algemene reserve
• de bestemmingsreserves

Voor het instellen van een bestemmingsreserve worden de volgende criteria
gehanteerd:

  •  voor een concreet, door de raad vast te stellen doel;
  •  het instellen van een reserve vindt plaats bij raadsbesluit;
  •  in het raadsbesluit zal, voor zover van toepassing, aangegeven moeten worden:
    • Het doel waarvoor de reserve wordt gevormd;
    • De gewenste of noodzakelijke, minimale en/of maximale omvang;
    •  De omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen (structureel of

       incidenteel), inclusief onderbouwing daarvan, bijvoorbeeld op basis van
       meerjarenplanning;

    • De looptijd van de reserve
  • bij het vormen van een reserve wordt een ondergrens van € 100.000 gehanteerd.
    • voor alle reserves wordt een portefeuillehouder aangewezen.

    Toevoegingen in de reserves worden conform de begroting verwerkt. Verminderingen worden conform de begroting verwerkt tenzij de werkelijke uitgaven behorend bij de vermindering lager is.

    Op de balans wordt het saldo van rekening baten en lasten apart van de reserves onder het eigen
    vermogen tot uitdrukking gebracht. De feitelijke bestemming van het jaarresultaat vindt pas
    plaats, nadat de raad heeft beslist over een voorstel tot bestemming ervan.

    Vreemd Vermogen

    Voorzieningen
    Voorzieningen worden gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies. De pensioenverplichting ten behoeve van de wethouders is echter tegen de contante waarde van de (reeds opgebouwde) toekomstige uitkeringsverplichtingen gewaardeerd. De onderhoudsegalisatievoorzieningen stoelen op een meerjarenraming van het uit te voeren groot onderhoud aan (een deel van) de gemeentelijke kapitaalgoederen, waarin rekening is gehouden met de kwaliteitseisen die ter zake geformuleerd zijn. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen die is opgenomen in het jaarverslag is het beleid ter zake nader uiteengezet.

    In geval van achterstallig onderhoud, waarbij sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties, wordt er op basis van artikel 44 lid 1a BBV een voorziening gevormd.

    Voorziening wethouders
    Bij de voorziening voor wethouders is voor een viertal oud wethouders gebruik gemaakt van opgenomen vrijstelling in de notitie Het BBV & Arbeidskostengerelateerde verplichtingen van januari 2013. In deze notitie is in hoofdstuk 1 bepaald dat voorzieningen welke in het verleden zijn vrijgevallen met als reden dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vervolgens sprake zou zijn van jaarlijks terugkerende arbeidskosten van een vergelijkbaar volume geen herstel hoeft plaats te vinden. Voor alle andere (oud) wethouders is wel een voorziening gevormd conform de richtlijnen van de BBV.

    Vaste Schulden
    Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar of langer.

    Vlottende passiva

    De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

    Borg- en Garantstellingen
    Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de balanstelling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. Overigens is in de toelichting op de balans nadere informatie opgenomen.

     Tabel afschrijvingstermijnen

    Onderstaand wordt voor elke soort investeringen (zoals genoemd in het BBV) per onderwerp de afschrijvingstermijn aangegeven die daarvoor binnen de gemeente Nieuwegein wordt gehanteerd. Alle activa worden lineair afgeschreven, afschrijving start in nieuwe boekjaar na ingebruikname.  

    Termijn /Jaar

    Immateriële vaste activa 

    Bijdrage aan activa in eigendom van derden

    40

    Gronden en terrreinen:

    Geen afschrijving

    Geen

    Woonruimten en bedrijfsgebouwen:

    Noodlokalen onderwijs

    8

    Bouwkundige aanpassingen, verbouwingen

    20

    Nieuwbouw gebouwen

    40

    Nieuwbouw gebouwen (theater)

    50

    Grond-, weg- en waterbouwkundige werken:

    Reconstructie rioleringen, bergbezinkbassins

    40

    Reconstructie rioleringen, (afhankelijk van locatie)

    50

    Reconstructie drainage

    25

    Overige reconstructies rioleringen

    20

    Bruggen

    40

    Houten bruggen en vlonders

    25

    Wegen

    20

    Wegen

    40

    Wegen (30% maatregelen)

    10

    Betondekken

    20

    Vervoermiddelen:

    Fietsen

    5

    Voertuigen

    10

    Voertuigen brandweer (met uitzondering van tankautospuiten)

    10

    Tankautospuiten

    12

    Hulpverleningswagens

    15

    Hoogwerker

    10

    Machines, apparaten en installaties:

    Telecommunicatieapparatuur

    5

    Maai- en veegmachines

    6

    Sneeuwploegen, rijdende wegafzettingen, geluids- en opnameapparatuur

    8

    Apparatuur, bekabeling, installatie parkeerregulering

    10

    Luchtbehandeling en klimaatinstallaties, heftrucks

    15

    Verkeersregelinstallaties

    20

    Overige installaties

    15

    Materiaal boomonderhoud (o.a.versnipperaar')

    10

    luchtbevochtigers en overige nieuwe installaties (nieuwe techniek)

    10

    Overige materiële vaste activa:

    Hardware automatisering

    5

    Software (anders dan specifieke applicaties)

    4

    Software: specifieke applicaties, diverse materialen, kleding en uitrusting

    5

    Inventaris, meubilair

    10

    Reconstructie sportvelden, kunstgrasvelden, sportinventaris, eerste inrichting onderwijs/onderwijsleerpakket

    15

    onderlaag kunstgrasvelden

    40

    toplaag kunstgrasvelden

    10

    Vervanging sportvloeren, cocons afvalinzameling hoogbouw, beheerssystemen rioolgemalen

    25

    Aanleg en uitbreiding sportparken

    50

    Inventaris, meubilair

    15

    Bebording

    15

    Beschoeiing

    25

    Zonnepanelen

    25

    Kunstwerken zonder cultuurhistorische waarde

    25

    Immateriële vaste activa: 

    maximaal 5 jaar

    max. 5

    Bij aanpassingen en verbouwingen moet er rekening mee worden gehouden dat de afschrijvingstermijn niet langer is dan de resterende afschrijvingstermijn van het betreffende gebouw

    Deze pagina is gebouwd op 06/08/2021 08:17:54 met de export van 06/08/2021 08:01:40